Te(n) of de(n) verl. tijd
-
Verleden tijd
Schrijf je daar nu te(n) of de(n)?
Er is een ezelsbruggetje:
Neem de stam van een werkwoord (zonder –en erachter).
Bijvoorbeeld: wachten = wacht, verhuizen = verhuiz)
Zit de laatste letter van de stam in: ‘t (e)x kofschip?
Ja, dan schrijft u te achter de stam(enkelvoud) en ten (meervoud)
Wachten, (stam: wacht) = ik wachtte, wij wachtten
Fax (stam: fax) = ik faxte, jullie faxten
Fietsen (stam: fiets) = hij fietste, zij fietsten
Nee, dan schrijft u de achter de stam en den (meervoud)
Spelen (stam: speel) = ik speelde, wij speelden
Verhuizen (stam: verhuiz) = hij verhuisde, wij verhuisden
Verven (stam: verv) = jij verfde, jullie verfden
Vernielen (stam: verniel) = ik vernielde, zij vernielden
-
Voltooid deelwoord
Zit de laatste letter van de stam in: ‘t (e)x kofschip?
Ja, dan t
Wachten: ik heb gewacht, wij hebben gewacht.
Faxen: hij heeft gefaxt, jullie hebben gefaxt.
Fietsen: jij hebt gefietst, zij hebben gefietst.
Nee, dan d
Spelen: ik heb gespeeld, wij hebben gespeeld
Verven: u heeft geverfd, jullie hebben geverfd
Vernielen: ik heb vernield, wij hebben vernield